Heel lang geleden werden er in het Wei-dal ten tijde van de Zhou, op nieuwjaarsdag, twee speciale baby’s geboren. De nietigste en lelijkste van deze twee, Weinjao genoemd, kwam uit de laagste klasse van heel het rijk. De mooiste, wonderbaarlijkste, liefste en prachtigste van de twee, Minja genoemd, kwam uit de hoogste klassen van het Al-onder-de-Hemel.
Weinjao groeide op met drie grote broers boven haar, ze kreeg altijd het zwaarste werk te verduren en had nooit eens tijd voor zichzelf. Maar ze was gelukkig.
Minja groeide als enig kind op. Ze kreeg altijd wat haar hartje begeerde. Maar ze was diep ongelukkig.
Weinjao en Minja waren beiden gezond, beiden slim en beiden handig. Toch kon het geschieden dat Weinjao haar hart reeds aan een knappe jongeman van de hoogste klasse had verpand, Moesja genoemd. Minja, met al haar schoonheid en macht had nog nooit de liefde kunnen omarmen.
Moesja, als zoon van één van de machtigste heren van zijn tijd, zag Weinjao niet staan. Hij had zijn hart aan Minja verpand, maar Minja was te druk bezig met het zorgen dat ze wonderbaarlijk, lief en prachtig bleef, om ook maar op te kunnen merken dat Moesja geregeld op audiëntie kwam.
Hoofdman Kengpan, trotse vader van de beeldschone Minja, kondigde een groots feest aan toen de verjaardag van zijn oogappel dichter bij kwam. Alle mensen kwamen van mijlenver naar het Wei-dal om dit feest, dat tevens als nieuwjaarsfeest dienst deed, bij te wonen. Het Wei-dal was in rep en roer, iedereen keek naar het langverwachte feest uit. zo ook Weinjao en haar familie.
De bedoeling van hoofdman Kengpan lag er dik bovenop, een echtgenoot voor zijn Minja vinden. Dat is dan ook de reden dat het Wei-dal vol edele, knappe jongemannen zat, in de uithoeken van het rijk had men gehoord van de schoonheid die Minja heette. Moesja zag de bui al groeien, aangezien Minja hem nog nooit echt had zien staan had hij een akelig voorgevoel. Dit is de reden waarom Moesja bij een zijdemakerij langs ging. Hij zou zich een kleed aan laten maken die mooier was dan die van de hoofdman zelf! Zo stopte zijn paard bij het huis van Weinjao. Hoewel hij wist van de affiniteit van het meisje voor zijn persoonlijkheid, wist hij evengoed dat haar vader de beste zijdemaker was van heel het Wei-dal.
Weinjao zag Moesja al van verre afkomen. Snel rende ze naar de zolder, waar een jurk hing waar haar moeder al jaren aan bezig was. Ooit, zo zei het arme mens, zou deze jurk haar bruidsschat worden, ooit zou de dag aanbreken dat zij haar familie eer zou brengen. Al moesten de voorouders de ganse dag vereerd worden!
Moesja, die het kind nooit in iets anders dan haar boerenkledij had gezien, kon zijn ogen niet geloven toen er een meisje de deur opende die de schoonheid bezat van een keizers vrouw. Maar zodra haar gezicht uit de schaduw trad, zag hij de oneffenheden, de lelijkheid van haar neus, en de kaalheid van haar ogen. Direct herkende hij het kind dat bekend stond als de lelijkste van het Wei-dal. Hij handelde zijn zaken af, zonder nog een blik op het meisje te werpen, en verliet de makerij met nieuwe zijden kleren.
Word vervolgd
Gemaakt: 28 september 2010
dinsdag 28 september 2010
vrijdag 17 september 2010
Medelijden
Zij wantrouwde de mensen die vol medelijden zaten, hield van de mensen die zelfzuchtig waren en er voor uit kwamen dat ze enkel om zichzelf gaven. De enige vrienden die ze had, zaten in haar hoofd. Ze hield van Anastacia, dat dwaze kind gaf aan moed een nieuwe betekenis, maar ze haatte Jade, die schijnheiliger was dan alle mensen met medelijden bij elkaar. Haar verzonnen vrienden symboliseerden het spectrum van haar karakter, maar dat besefte zij zich nog niet.
Het was een levensbehoefte geweest, even nodig als ademhalen. De vlammen van het kampvuur hadden het voorspeld, het waren de enigen naast mijn hart die dansten in de avond, alsof de avond nooit meer voorbij zou gaan. Ik stapte op haar af, naar dat kind dat haar karakter als een zaklamp voor zich hield, zodat de werkelijkheid in de schaduwen zou verdwijnen. Met elke stap schepte ik een grotere afstand tussen mijn, en háár, familie die voor zich uit in de vlammen zaten te staren.
“Selene,” de klanken van mijn stem bleven een moment in de zwoele zomeravond hangen, voordat ze uitstierven. Alles wat ik kon hopen was dat zij het had gehoord. Haar witte jurk zwierde als een vlinder om haar heen toen ze zich omdraaide en me in mijn ogen keek. Ik keek snel naar de grond.
“O, hoi Jasper.”
Ze was nog maar een kind, een tafelkleed, zoals volwassene het gebied tussen jong volwassene en puber noemden. Er schitterde een traan in haar ogen.
“Hoe gaat het?”
“Anastacia is aan het zwemmen, kijk, daar doet ze een koprol.”
Ik volgde haar vinger naar de sloot achter onze families. Hij was bijna net zo ongeschonden als haar witte jurk. Dit was het twaalfde jaar dat ze hier, op de verjaardag van mijn oom, aanwezig was. Elk jaar had ze het het eerst over Anastacia, gehaat door al haar andere vrienden, maar haar hartsvriendin.
“Ik heb het gehoord.” Hoewel haar dromerige ogen niet verdwenen, leek er een rilling over haar rug heen te gaan. “Het spijt me.”
“Ach, doe niet zo dom.” Haar stem was fel, haar ogen hadden de kilheid van een… moordenaar. Alle emoties die ze net voor zich uit had gehouden waren verdwenen. Ik wilde dat ik niets had gezegd, en gewoon van dit moment had genoten. “Ik veracht mensen die medelijden hebben. Medelijden deelt het leed niet, het vergroot leed.”
Mijn mond vormde zich al tot een gemompel, maar ik slikte mijn verontschuldiging op tijd in. Haar aandacht was al niet langer bij mij, ze ging op de schommel die aan het balkon hing zitten en staarde naar de sloot. Waarschijnlijk zag zij haar opa en oma, mijn oom en tante, en alle andere aanwezigen op de verjaardag van mijn en haar nichtje niet.
“Wil je een handdoek halen?” Haar helderblauwe ogen troffen mij, weeral keek ik naar de grond.
“Hoezo?”
“Hoezo? Heb je wel ogen in die arrogante kop van je? Anastacia staat te klappertanden.” Ik zweeg, haar wangen werden rood, “kijk dan, dáár op de oever.”
Hoewel ik slechts mijn oma zag, die haar jas begon aan te trekken en met een geamuseerde blik naar mijn zusje keek die op de grond kroop en wat woordjes brabbelde, knikte ik. Ik had me al omgedraaid toen ik haar trillende stem hoorde.
“Wacht! Fiona heeft haar al gezien.” Ik draaide me opnieuw om, keek naar haar enthousiaste gezicht. Toen ik haar blik volgde zag ik dat mijn zusje naar de oever kroop, nieuwsgierig naar de wezens die net als zij door het gras kropen.
“Fiona!” Mijn schreeuw bereikte de volwassene niet eens, laat staan mijn zusje van anderhalf. Selene keek me met vreemde ogen aan.
“Jasper, je bent misschien vijf jaar ouder dan ik, maar je snapt er niets van!”
Er waren maar een paar seconden om te reageren, maar waar ik eigenlijk had moeten rennen, om de volwassene te waarschuwen over het gevaar dat zich achter hen bevond, bleef ik als betoverd naar het nichtje van mijn tante kijken.
“John Keats zei eens, aan iets moois beleeft men zijn hele leven vreugde.” Haar ogen stonden wijs, en ik vroeg me af of ik haar onderschat had. “Fiona moet de schoonheid van het water meemaken, om te weten hoe het eruit ziet.”
“Ze verdrinkt als ze valt. Selene!” Ik pakte haar vast, maar zodra ik de afstand tussen ons had verkleint, zag ik de wijsheid in haar ogen vergroten. Het verstijfde me, zorgde ervoor dat ik niets meer wist. Opeens was zij de oudere, en ik een klein jongetje dat net had geleerd om de tafel te dekken.
“Kijk, Jasper.” Selene wist haar ogen van me af te rukken, iets wat me uit mijn verstening hielp. “Jullie, volwassene.” Ze draaide met haar ogen en deed weer zorgvuldig een stap naar achteren. “Toneelspel is mooi, maar de echte menselijke aard is mooier, zei Keats altijd. Jij voelt wantrouwen voor het water, verafschuwing voor wat er kan gebeuren, angst voor de dood. Maar Jasper, snap dan dat je niet kunt leven voordat je weet wat leven is.”
Toen ik me omkeerde zag ik voor het eerst een schim achter mijn zusje staan, dat haar van de oever afduwde, naar de tuin waar ze opgevangen werd door mijn oma, die al die tijd een oogje in het zeil had gehouden.
Zij had geleerd medelijden te wantrouwen op de dag dat haar vader stierf. De enige vriendin bij wie ze altijd terecht kon, was haar Anastacia. De moedige, de redster, de vernietigster der medelijden. Iedereen die zijn medelijden durfde te uiten was een handlanger van Jade. Voor hen was er geen plekje in haar hart.
Gemaakt: 17 september 2010
Het was een levensbehoefte geweest, even nodig als ademhalen. De vlammen van het kampvuur hadden het voorspeld, het waren de enigen naast mijn hart die dansten in de avond, alsof de avond nooit meer voorbij zou gaan. Ik stapte op haar af, naar dat kind dat haar karakter als een zaklamp voor zich hield, zodat de werkelijkheid in de schaduwen zou verdwijnen. Met elke stap schepte ik een grotere afstand tussen mijn, en háár, familie die voor zich uit in de vlammen zaten te staren.
“Selene,” de klanken van mijn stem bleven een moment in de zwoele zomeravond hangen, voordat ze uitstierven. Alles wat ik kon hopen was dat zij het had gehoord. Haar witte jurk zwierde als een vlinder om haar heen toen ze zich omdraaide en me in mijn ogen keek. Ik keek snel naar de grond.
“O, hoi Jasper.”
Ze was nog maar een kind, een tafelkleed, zoals volwassene het gebied tussen jong volwassene en puber noemden. Er schitterde een traan in haar ogen.
“Hoe gaat het?”
“Anastacia is aan het zwemmen, kijk, daar doet ze een koprol.”
Ik volgde haar vinger naar de sloot achter onze families. Hij was bijna net zo ongeschonden als haar witte jurk. Dit was het twaalfde jaar dat ze hier, op de verjaardag van mijn oom, aanwezig was. Elk jaar had ze het het eerst over Anastacia, gehaat door al haar andere vrienden, maar haar hartsvriendin.
“Ik heb het gehoord.” Hoewel haar dromerige ogen niet verdwenen, leek er een rilling over haar rug heen te gaan. “Het spijt me.”
“Ach, doe niet zo dom.” Haar stem was fel, haar ogen hadden de kilheid van een… moordenaar. Alle emoties die ze net voor zich uit had gehouden waren verdwenen. Ik wilde dat ik niets had gezegd, en gewoon van dit moment had genoten. “Ik veracht mensen die medelijden hebben. Medelijden deelt het leed niet, het vergroot leed.”
Mijn mond vormde zich al tot een gemompel, maar ik slikte mijn verontschuldiging op tijd in. Haar aandacht was al niet langer bij mij, ze ging op de schommel die aan het balkon hing zitten en staarde naar de sloot. Waarschijnlijk zag zij haar opa en oma, mijn oom en tante, en alle andere aanwezigen op de verjaardag van mijn en haar nichtje niet.
“Wil je een handdoek halen?” Haar helderblauwe ogen troffen mij, weeral keek ik naar de grond.
“Hoezo?”
“Hoezo? Heb je wel ogen in die arrogante kop van je? Anastacia staat te klappertanden.” Ik zweeg, haar wangen werden rood, “kijk dan, dáár op de oever.”
Hoewel ik slechts mijn oma zag, die haar jas begon aan te trekken en met een geamuseerde blik naar mijn zusje keek die op de grond kroop en wat woordjes brabbelde, knikte ik. Ik had me al omgedraaid toen ik haar trillende stem hoorde.
“Wacht! Fiona heeft haar al gezien.” Ik draaide me opnieuw om, keek naar haar enthousiaste gezicht. Toen ik haar blik volgde zag ik dat mijn zusje naar de oever kroop, nieuwsgierig naar de wezens die net als zij door het gras kropen.
“Fiona!” Mijn schreeuw bereikte de volwassene niet eens, laat staan mijn zusje van anderhalf. Selene keek me met vreemde ogen aan.
“Jasper, je bent misschien vijf jaar ouder dan ik, maar je snapt er niets van!”
Er waren maar een paar seconden om te reageren, maar waar ik eigenlijk had moeten rennen, om de volwassene te waarschuwen over het gevaar dat zich achter hen bevond, bleef ik als betoverd naar het nichtje van mijn tante kijken.
“John Keats zei eens, aan iets moois beleeft men zijn hele leven vreugde.” Haar ogen stonden wijs, en ik vroeg me af of ik haar onderschat had. “Fiona moet de schoonheid van het water meemaken, om te weten hoe het eruit ziet.”
“Ze verdrinkt als ze valt. Selene!” Ik pakte haar vast, maar zodra ik de afstand tussen ons had verkleint, zag ik de wijsheid in haar ogen vergroten. Het verstijfde me, zorgde ervoor dat ik niets meer wist. Opeens was zij de oudere, en ik een klein jongetje dat net had geleerd om de tafel te dekken.
“Kijk, Jasper.” Selene wist haar ogen van me af te rukken, iets wat me uit mijn verstening hielp. “Jullie, volwassene.” Ze draaide met haar ogen en deed weer zorgvuldig een stap naar achteren. “Toneelspel is mooi, maar de echte menselijke aard is mooier, zei Keats altijd. Jij voelt wantrouwen voor het water, verafschuwing voor wat er kan gebeuren, angst voor de dood. Maar Jasper, snap dan dat je niet kunt leven voordat je weet wat leven is.”
Toen ik me omkeerde zag ik voor het eerst een schim achter mijn zusje staan, dat haar van de oever afduwde, naar de tuin waar ze opgevangen werd door mijn oma, die al die tijd een oogje in het zeil had gehouden.
Zij had geleerd medelijden te wantrouwen op de dag dat haar vader stierf. De enige vriendin bij wie ze altijd terecht kon, was haar Anastacia. De moedige, de redster, de vernietigster der medelijden. Iedereen die zijn medelijden durfde te uiten was een handlanger van Jade. Voor hen was er geen plekje in haar hart.
Gemaakt: 17 september 2010
zondag 12 september 2010
Adoptie
Daar waar gedachtes leeg zijn als lucht,
In een groot land in het oosten,
Zijn de kleine met de rode boekjes geducht.
Daar waar zich een toekomst bevind,
In een klein landje in het westen,
Door een ieder geliefd en bemind.
Alleen een kind vliegt van oost naar west.
Gemaakt: 12 september 2010
In een groot land in het oosten,
Zijn de kleine met de rode boekjes geducht.
Daar waar zich een toekomst bevind,
In een klein landje in het westen,
Door een ieder geliefd en bemind.
Alleen een kind vliegt van oost naar west.
Gemaakt: 12 september 2010
donderdag 2 september 2010
Critici
Als teksten als voertuig voor de weg dienen,
En ik de voetganger op het zebrapad ben,
Vraag ze dan te wachten op de schrijver,
Pas te versnellen na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als lezers als bewoners ongelukken bekijken,
En ik de verongelukte onder het voertuig ben,
Vraag ze dan te vertrouwen op een wonder,
Pas verslagen na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als recensenten als agenten de schade opnemen,
En ik de beschadigde in de ziekenwagen ben,
Vraag ze dan te rapporteren over de ander,
Pas op te geven na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als recensies als artsen de dood verklaren,
En ik de ter dood veroordeelde ben,
Vraag ze dan het goede te bewaren,
Pas te vergeten na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Gemaakt: 2 september 2010
En ik de voetganger op het zebrapad ben,
Vraag ze dan te wachten op de schrijver,
Pas te versnellen na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als lezers als bewoners ongelukken bekijken,
En ik de verongelukte onder het voertuig ben,
Vraag ze dan te vertrouwen op een wonder,
Pas verslagen na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als recensenten als agenten de schade opnemen,
En ik de beschadigde in de ziekenwagen ben,
Vraag ze dan te rapporteren over de ander,
Pas op te geven na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Als recensies als artsen de dood verklaren,
En ik de ter dood veroordeelde ben,
Vraag ze dan het goede te bewaren,
Pas te vergeten na de oversteek,
Van oever naar oever, wereld naar wereld.
Gemaakt: 2 september 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)